Belangrijke boodschap: Volg hier onze updates over het Coronavirus.

Geschil rond uithuiszetting medehuurder: vrederechter twijfelt over eigen bevoegdheid

Rechtspraak Uitspraakdatum: 18 februari 2021
Detail page

De arrondissementsrechtbank van West-Vlaanderen diende zich in deze zaak uit te spreken over de bevoegdheid van de vrederechter in een geschil rond feitelijk samenwonende partners/medehuurders, waarbij door de ene partner een vordering tot uithuiszetting werd ingesteld wegens partnergeweld. 

De feiten 

Beide partners woonden feitelijk samen en huurden samen een woning. Doordat de relatie tussen de twee partijen werd beëindigd, vorderde de ene partner de uithuiszetting van de andere partner. Gezien er volgens eisende partij sprake was van partnergeweld, vertoonde de vordering een hoogdringend karakter. 

De zaak kwam in eerste instantie terecht bij de vrederechter van het kanton Ieper, die evenwel twijfelde aan diens bevoegdheid, waarnaar zij de vordering vervolgens naar de arrondissementsrechtbank verwees. 

De arrondissementsrechtbank oordeelde vooreerst dat de materiële bevoegdheid wordt bepaald door het voorwerp van de eis, zoals dit uit de inleidende akte blijkt. 

Volgens artikel 591,1° van het Gerechtelijk Wetboek neemt de vrederechter, ongeacht het bedrag van de vordering, kennis van geschillen betreffende de verhuring van onroerende goederen en van de samenhangende vorderingen die ontstaan uit de verhuring van een handelszaak, alsook van vorderingen tot betaling van vergoedingen voor bewoning van en tot uithuiszetting uit plaatsen die zonder recht worden betrokken, onverschillig of die vorderingen al dan niet volgen uit een overeenkomst. 

Medehuurders

Concreet vorderde de eiseres evenwel de uithuiszetting van de feitelijk samenwonende partner/medehuurder. De vrederechter is bevoegd voor een uithuiszetting in de hypothese dat er een bewoning is zonder recht of titel, maar dit is hier niet het geval oordeelde de arrondissementsrechtbank. Zowel de eiseres als verweerder hebben immers beiden de huurovereenkomst ondertekend en zijn dus medehuurders. 

Evenmin gaat het om een vordering door een verhuurder en de gevorderde uithuiszetting kan niet op basis van de contractueel opgenomen huurdersverplichtingen worden beoordeeld. 

Ook stelt de arrondissementsrechtbank dat de bepalingen van het Vlaams Woninghuurdecreet, die in een bijzondere bevoegdheid van de vrederechter voorzien, hier niet van toepassing zijn. 

Bevoegdheid rechtbank van eerste aanleg

De arrondissementsrechtbank concludeerde dan ook dat de vordering tot uithuiszetting van de feitelijk samenwonende medehuurder wegens partnergeweld, ingeval van spoedeisendheid, tot de bevoegdheid behoort van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, zetelend in kortgeding. 

De vrederechter had in deze dus terecht haar materiële bevoegdheid in twijfel getrokken. 

(Arrondissementsrechtbank West-Vlaanderen 19 februari 2021)

Gerelateerde dossiers

Vlaams Woninghuurdecreet

Vlaams Woninghuurdecreet

Structurele partners

BTVBTVBTVBTVBTVBTVBTV

Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte

Deze browser is niet compatibel met CIB Vlaanderen. Gebruik een andere browser om onze website te kunnen gebruiken.