Belangrijke boodschap: Volg hier onze updates over het Coronavirus.

Hoe verloopt de administratieve procedure met betrekking tot een besluit tot ongeschiktheid of onbewoonbaarheid?

Vraag & antwoord 18 december 2020
Hoe verloopt de administratieve procedure met betrekking tot een besluit tot ongeschiktheid of onbewoonbaarheid?

Het besluit om een woning ongeschikt of onbewoonbaar te verklaren wordt ook wel omschreven als ‘de ruggengraat’ van de administratieve handhaving. Dit besluit vormt immers de basis voor het sanctieapparaat.

De administratieve procedure O/O wordt meestal opgestart naar aanleiding van een klacht of op eigen initiatief vanuit de gemeente. Evenzeer mogelijk is dat de procedure voortvloeit uit het feit dat door een welbepaalde reden een woningkwaliteitsonderzoek diende te worden uitgevoerd, waarbij gebreken zijn vastgesteld (bvb. naar aanleiding van het aanvragen van een huursubsidie).

Om klacht te kunnen indienen, is het voldoende dat men als belanghebbende wordt beschouwd. Niet alleen de bewoner kan blijk geven van een belang maar evenzeer een omwonende, tot zelfs een belangenorganisatie toe. Een verzoek tot opstart van de procedure O/O moet gebeuren via beveiligde zending (aangetekend schrijven of afgifte tegen ontvangstbevestiging) bij de burgemeester. Aan de verzoeker wordt een ontvangstbewijs overhandigd. In het kader van de waarschuwingsprocedure kan de melding ook mondeling gebeuren bij het woonloket van de gemeente. 

Indien het verzoek manifest ongegrond is of geen motivering bevat, zal de burgemeester het onmiddellijk afwijzen. In de andere gevallen wordt overgegaan tot opstart van de procedure.

Als de belanghebbende de bewoner zelf is, dan wordt vaak - hoewel niet wettelijk verplicht - eerst aangeraden om de klacht ter kennis te brengen aan de verhuurder, zodat deze het nodige kan doen om de gebreken aan de kamerwoning te herstellen. De bewoner kan hierbij gebruik maken van een modelbrief, aangeboden door de Vlaamse overheid. Dergelijk advies is niet bindend. De klager kan perfect aandringen op de opstart van de procedure. 

Sinds 1 januari 2021 heeft de gemeente de mogelijkheid om bij een klacht of bij bepaalde vaststellingen eerst een waarschuwingsprocedure te doorlopen.

De waarschuwingsprocedure

Eigenlijk is dit niet zo nieuw als de naam laat uitschijnen. Voor 1 januari 2021 bestond in veel gemeenten immers een vorm van ‘lokaal vooronderzoek’. Alleen fungeerde dat vooronderzoek in de grijze marges van de regelgeving.

Doel van een gemeentelijk vooronderzoek was om, voorafgaand aan een procedure O/O, in dialoog te kunnen treden met de eigenaar en deze te overhalen om de woning in orde te brengen. Deze kreeg dan de marge om snel de gebreken te herstellen, waardoor de woning conform werd en er niet aan een ongeschiktheid/onbewoonbaarheid moest worden gedacht. De logica: bij opstart van de echte procedure was de kans groot dat de woning van de (huur)markt zou verdwijnen. Het huurcontract is mogelijks nietig, waardoor de huurder op straat komt en geherhuisvest moet worden. Het aanbod slinkt verder, in een reeds krap marktsegment. Niet verwonderlijk dus dat de gemeenten dergelijk scenario wilden vermijden, bij verhuurders die van goede wil zijn.

Alleen bestond er geen decretaal kader voor. Formeel mochten de gemeenten de opstart van een reguliere procedure O/O niet zomaar uitstellen. Men ging daarmee in tegen de dwingende regelgeving in de Vlaamse Codex Wonen. Bovendien was de regeling voor dit ‘lokaal vooronderzoek’ in elke gemeente anders. Er was dus ook nood aan een zekere stroomlijning, met respect voor de legitieme doeleinden die de gemeenten nastreefden.

Door het invoeren van de ‘waarschuwingsprocedure’ heeft de Vlaamse Regering dit willen ondervangen. Gemeenten hebben voortaan de optie om deze procedure toe te passen vooraleer ze overgaan tot de reguliere behandeling met het oog op een verklaring tot ongeschiktheid of onbewoonbaarheid. Let wel, het gaat om een mogelijkheid, niet om een verplichting.

De gemeente kan de keuze om al dan niet beroep te doen op de waarschuwingsprocedure vrij maken en deze bijvoorbeeld afstemmen op het profiel van de verhuurder. Als die een geschiedenis heeft van huisjesmelkerij, is de kans bijvoorbeeld veel groter dat men onmiddellijk overstapt op de procedure O/O. Gaat het echter om een eerste inbreuk/klacht, dan zal men misschien sneller kiezen voor een waarschuwing. 

De gemeente mag slechts kiezen voor de toepassing van de waarschuwingsprocedure wanneer zij de kans op succes groot acht. De aard van de gebreken kan daarbij een afwegingselement zijn, net zoals de historiek van de verhuurder.

Let wel, wordt er met de waarschuwing niets gedaan, dan zal de zaak snel evolueren naar een procedure O/O. De procedure ongeschiktheid of onbewoonbaarheid wordt automatisch opgestart wanneer de waarschuwingsprocedure niet leidt tot een conforme woning of wanneer een bepaalde stap niet of te laat wordt gezet. De gemeente beschikt in dit geval niet meer over de mogelijkheid om de waarschuwingsprocedure een tweede keer toe te passen.

De waarschuwingsprocedure laat toe dat de gemeente contact opneemt met de eigenaar om hem of haar te waarschuwen voor de mogelijke gevolgen die aan de aanwezigheid van kwaliteitsproblemen kunnen verbonden zijn. Doel is dat de gemeente zo het gesprek kan aangaan met de eigenaar en desgevallend zelfs hulp kan aanbieden bij het uitvoeren van de werken die nodig zijn om de woning conform te maken. Zodoende kan men de eigenaar wat tijd (maximaal drie maanden) geven vooraleer de echte procedure tot ongeschiktheid of onbewoonbaarheid wordt opgestart. Doel is zo te vermijden dat de huurwoning ten gevolge van een klacht uit de markt verdwijnt, omdat de eigenaar het pand gewoon verkoopt.

In concreto bestaat de waarschuwingsprocedure uit de volgende stappen:

  • Stap 1: een termijn van 14 dagen om een conformiteitsonderzoek uit te voeren
  • Stap 2: een termijn van een maand waarin een waarschuwing wordt gegeven en een hersteltermijn wordt bepaald
  • Stap 3: binnen drie maanden na de initiële klacht/melding wordt een nieuw woningkwaliteitsonderzoek uitgevoerd en moet de woning conform zijn. Als de woning conform is, levert de gemeente een conformiteitsattest af

Het overschrijden van elk van deze termijnen resulteert automatisch in de opstart van de procedure O/O. De waarschuwingsprocedure is dus niet zomaar vrijblijvend. Idem uiteraard wanneer de woning bij hercontrole niet conform is.

De termijnen worden voor alle drie stappen afgezet tegenover de datum van ontvangst van de melding/klacht. Uiterlijk drie maanden na die datum moet de procedure dus afgerond zijn en de woning conform zijn gemaakt. Is dat niet het geval, dan vloeit men door naar de procedure O/O. Idem voor elke andere overschrijding van de termijnen. Aangezien de gemeente bij de ontvangst van een melding/klacht een ontvangstbewijs moet afleveren, kan de melder/klager steeds eenvoudig controleren of een bepaalde termijn niet overschreden werd en desgevallend beroep aantekenen tegen het stilzitten door de gemeente/burgemeester.

Het woningkwaliteitsonderzoek & advies van de gewestelijk ambtenaar

Startpunt van de feitelijke administratieve procedure is dat er een woningkwaliteitsonderzoek plaatsvindt door een gewestelijke woningcontroleur. Het kan ook om een lokale woningcontroleur gaan indien de gemeente ontvoogd is. Het onderzoek gebeurt op basis van de technische verslagen. Indien tevoren de waarschuwingsprocedure werd doorlopen zal er al een kwaliteitsonderzoek uitgevoerd zijn.

De woningcontroleur heeft het recht om de woning tussen 8u en 80u te bezoeken om de conformiteit met de veiligheids-, gezondheids- en woonkwaliteitsnormen vast te stellen en de naleving ervan te controleren. Zowel de huurder als verhuurder is verplicht om alle nodige inlichtingen te verstrekken om het conformiteitsonderzoek in de beste omstandigheden te laten verlopen.

Bij een rondgang in de woning, zal de woningcontroleur zich laten leiden door het technisch verslag. Tijdens de rondgang wordt ieder gebrek genoteerd in het technisch verslag en worden foto’s genomen van de vastgestelde gebreken. De vaststellingen tijdens het conformiteitsonderzoek beperken zich tot de schade die de woningcontroleur ter plaatse kan zien en die een onmiddellijk negatief effect hebben op de bewoning. Hiervoor baseert de woningcontroleur zich op observatie, waarbij eventueel gebruik kan worden gemaakt van technische apparatuur (vb. vochtmeters). Bij het onderzoek wordt in principe geen rekening gehouden met de infrastructuur van de woning, of met de leefgewoonten van de bewoners, tenzij hieruit bepaalde veiligheidsrisico’s zouden blijken. 

Een vraag die vaak wordt gesteld is of afgedwongen kan worden dat de eigenaar aanwezig mag zijn bij het woningkwaliteitsonderzoek. Dat is niet het geval. Er is geen enkele regelgevende bepaling die stelt dat het onderzoek op tegensprekelijke wijze moet plaatsvinden, dus in aanwezigheid van zowel huurder als verhuurder, in tegenstelling tot bij de opmaak van een plaatsbeschrijving. De eigenaar wordt er dus niet van op de hoogte gebracht dat er een controle zal plaatsvinden. Evenmin zal hij/zij uitgenodigd worden om daarbij aanwezig te zijn. De verweerrechten van de eigenaar situeren zich later in de procedure, niet op het moment van de objectieve visuele vaststellingen zelf.

Het kwaliteitsonderzoek is een moment waarop louter de feitelijke vaststellingen worden gedaan. Ook de huurder mag daar niet zomaar bij betrokken worden. Uiteraard bewoont de huurder wel het pand en zal het meestal de huurder zijn die de controleur toegang verschaft. Maar, het is niet zo dat de huurder het kwaliteitsonderzoek zomaar meevolgt, met de controleur in gesprek gaat, …, net zoals dat ook bij de eigenaar niet de bedoeling is.

Een andere terugkerende vraag is deze naar de rol van de plaatsbeschrijving tijdens de woningcontrole. Mag men aan de woningcontroleur de plaatsbeschrijving voorleggen, opdat deze zich op basis van dit document reeds kan uitspreken over de oorzakelijkheid van gebreken? Dat is immers het doel van de vergelijking met de plaatsbeschrijving: aantonen dat het gebrek bij aanvang van de verhuring nog niet aanwezig was (of misschien net wel, vanuit het standpunt van de huurder). 

Het antwoord van de woningcontroleur en van de administratie op deze vraag zal steeds ‘neen’ zijn. Het is immers niet de bedoeling dat de woningcontroleur zich tijdens het onderzoek reeds uitspreekt over de oorzakelijkheid. De controle beoogt een objectief meetmoment te zijn van de staat van de woning op het ogenblik dat de controleur het pand betreedt. Tijdens de controle zelf wordt geen enkele beoordeling gemaakt van de verantwoordelijkheden rond gebreken en de consequenties. Dat gebeurt naderhand. En, op dat ogenblik zou het logisch moeten zijn dat men een grondig opgemaakte plaatsbeschrijving naast het technisch verslag kan leggen. Wanneer de vraag naar een vergelijking met de plaatsbeschrijving wordt gesteld, gaat het eigenlijk ook zelden over de methodiek van de controle maar veeleer over de rechtsgevolgen. Op de rol van de plaatsbeschrijving daar komen we verder terug.

In niet-ontvoogde gemeenten zal de gewestelijk ambtenaar (een bevoegd persoon binnen het Agentschap Wonen-Vlaanderen) op basis van het technisch verslag een advies uitbrengen aan de burgemeester. Het betreft een advies zonder appreciatiemarge en waartegen net daarom geen verdediging, beroep, … mogelijk is. Het advies is louter gebaseerd op de vastgestelde gebreken. Met andere woorden: als er een gebrek categorie II is aangeduid in het technisch verslag zal de gewestelijk ambtenaar adviseren om de woning ongeschikt te verklaren. Is er een gebrek categorie III aangeduid, dan zal de gewestelijke woningcontroleur een verklaring tot onbewoonbaarheid aanbevelen.

De burgemeester mag voorbijgaan aan de adviesvereiste van de gewestelijk ambtenaar, indien deze laatste geen advies uitgebracht heeft binnen de 75 dagen na ontvangst van de adviesvraag en zolang hij niet in kennis is gesteld van een advies dat uitgebracht is na die termijn. Bovendien wordt de stap van het advies sowieso overgeslagen in ontvoogde gemeenten. Daar zal de burgemeester zich rechtstreeks baseren op de vaststellingen van de gemeentelijke woningcontroleur.

Besluit van de burgemeester

Eerste fase bij de beoordeling door de burgemeester is steeds het naleven van de ‘hoorplicht’. Concreet impliceert dit dat de burgemeester de betrokken partijen dient te horen en dus ook een recht van verweer ten opzichte van de partijen moet respecteren. Net daarom is de term ‘hoorplicht’ enigszins verwarrend. Bekijkt men het vanuit het perspectief van de verhuurder, dan gaat het immers om een hoorrecht.

Onmiddellijk na ontvangst van het advies van de gewestelijk ambtenaar moet de burgemeester een afschrift daarvan, vergezeld van een kopij van het technisch verslag, bezorgen aan de eigenaar, de bewoner en desgevallend de persoon die de procedure aanhangig heeft gemaakt. Indien de gemeente ontvoogd is, doet de burgemeester dit op eigen initiatief, vaak al sneller na de woningcontrole omdat de stap van het advies van de gewestelijk ambtenaar wordt overgeslagen.

Onder ‘eigenaar’ moet je eigenlijk ‘de houder van het zakelijk recht’ lezen. Denk bijvoorbeeld aan een opsplitsing tussen vruchtgebruik en blote eigenaar. De vruchtgebruiker heeft het daadwerkelijke genot van de woning en is dus ook de contactpersoon bij woningkwaliteitsprocedures.

De burgemeester kan een woning niet ongeschikt of onbewoonbaar verklaren wanneer de gewestelijk ambtenaar dit niet adviseert of (bij ontvoogde gemeenten) wanneer er geen gebreken categorie II of III in door de gemeentelijke woningcontroleur opgemaakte technisch verslag zijn aangekruist. In deze situatie is er ook minder nood aan een mogelijkheid tot verweer. De burgemeester hoeft hier de eigenaar en de bewoner niet uit te nodigen om hun argumenten, verdediging, … over te maken.

In het andere geval (wanneer de procedure wel aanleiding zou kunnen geven tot een ongeschiktheid of onbewoonbaarheid) moet de burgemeester dat wel doen. De eigenaar en de bewoner moeten dan in de mogelijkheid worden gesteld om hun zaak te bepleiten. De hoorplicht (hoorrecht in hoofde van de eigenaar en de bewoner) mag zowel mondeling als schriftelijk georganiseerd worden. Kiest men voor een mondelinge hoorzitting, dan moet daarvan achteraf een proces-verbaal bij wijze van verslag opgemaakt worden, dat door alle aanwezigen wordt ondertekend.

Het is niet omdat de gewestelijk ambtenaar adviseert of er (bij ontvoogde gemeenten) verder wordt gegaan op een technisch verslag van een gemeentelijke woningcontroleur met aankruising van gebreken categorie II of III, dat de burgemeester verplicht is om ook de ongeschiktheid of de onbewoonbaarheid uit te spreken. De burgemeester kan daar wel degelijk van afzien. Een voorbeeld is de situatie waarbij de eigenaar belooft de gebreken (snel) te zullen herstellen. In geval dit effectief en tijdig gebeurt, zal de burgemeester kunnen afzien van het nemen van een besluit.

We merken in de praktijk dat de mogelijkheden van het hoorrecht nog te weinig gekend zijn. Nochtans is het cruciaal daar gedegen gebruik van te maken. De regelgeving beperkt immers geenszins de elementen die men bij wijze van verweer kan aanbrengen. Men denke bijvoorbeeld aan het voorleggen van een zorgvuldig opgemaakte intredende plaatsbeschrijving, waaruit blijkt dat de gebreken pas in de loop van het huurcontract zijn ontstaan, zodat de burgemeester desgevallend de bewoner/huurder ook kan aanspreken op zijn/haar verantwoordelijkheden en op diens herstellingsverplichtingen in navolging van het Vlaams Woninghuurdecreet.

Tegelijkertijd moet het gezegd dat de burgemeester meestal vasthoudt aan de feitelijke vaststellingen in het technisch verslag. Dat heeft te maken met de beperktheid van de beslissing die hij/zij kan nemen: het ongeschikt verklaren van het pand of daarvan afzien. De burgemeester kan geen herstelplicht opleggen aan de huurder of schadevergoedingen toekennen. Enkel de vrederechter kan dat in een navolgend burgerrechtelijk geding. 

En, afzien van een ongeschiktheid omdat de gebreken door de bewoning zijn veroorzaakt is niet evident. Daarmee verliest men de stok achter de deur teneinde te bekomen dat de woning wel in orde wordt gebracht. Net om deze redenen wilden heel wat gemeentebesturen lokale vooronderzoeken uitvoeren, waarbij men minder gebonden is aan formele beslissingen en maximaal morele druk kan uitoefenen om tot een oplossing te komen.

Naleven van de hoorplicht is in hoofde van de burgemeester een essentiële vormvereiste. Met andere woorden: het niet-respecteren ervan en dus het negeren van een mogelijkheid tot verweer is an sich voldoende opdat het besluit van de burgemeester vernietigd dient te worden. Het besluit is dan niet rechtsgeldig. Evenzeer moet de betrokkene een voldoende lange termijn worden geboden om het verweer op een ordentelijke wijze te kunnen voorbereiden. Dit illustreert dat men de stap van de hoorplicht vanuit de gemeente niet losjes als een louter formalistische vereiste mag zien, doch wel als een effectieve gelegenheid tot verdediging vanwege de betrokken houder van het zakelijk recht.

De burgemeester moet in beginsel een beslissing nemen binnen drie maanden na de opstart van de procedure. Deze termijn is geen vervaltermijn maar een termijn van orde. Dit juridisch onderscheid is belangrijk gezien de consequenties bij het overschrijden. Het gevolg daarvan is dat de verzoeker beroep kan aantekenen, enkel en alleen omdat de termijn is overschreden. Wordt er beroep aangetekend, dan verhuist de behandeling van het dossier naar het niveau van de Vlaamse Regering. Zolang er geen beroep is aangetekend kan de burgemeester nog rechtsgeldig beslissen.

Het is dus niet zo dat het overschrijden van de termijn betekent dat de procedure onmiddellijk stopt, zonder (risico op) verklaring tot ongeschiktheid of onbewoonbaarheid, zoals bij een vervaltermijn wel het geval zou zijn.

Reden waarom de regeling zo in elkaar zit: het geeft meer flexibiliteit, bijvoorbeeld bij herstel. Men denke dan aan de situatie waarbij een eigenaar 3,5 maanden nodig heeft om de gebreken te herstellen maar dat wel wil doen. Dan kan de burgemeester proberen om daarop te wachten vooraleer een besluit te nemen. Alleen een beroep wegens laattijdigheid kan dan roet in het eten strooien.

Het besluit van de burgemeester dient steeds op gemotiveerde wijze genomen te worden. Dat houdt in dat de burgemeester moet antwoorden op eventuele argumenten die de eigenaar in zijn/haar verweer heeft aangedragen. Doet de burgemeester dit niet, dan is het besluit op gebrekkige wijze tot stand gekomen, wat uiteraard een grond kan zijn voor beroep.

Eerder kwam de mogelijkheid van herstel reeds ter sprake. Dit thema zal doorheen de verdere bespreking nog geregeld aan bod komen. Daarom staan we hier al even stil bij een belangrijke en regelmatig terugkerende vraag: heeft herstel enkel betrekking op de initieel vastgestelde gebreken of gaat dit ruimer? Is de herstelplicht met andere woorden beperkt tot wat het in het technisch verslag stond of kan men naderhand vallen over nieuwe of destijds onopgemerkte gebreken?

Om een voorbeeld te geven: bij de initiële woningcontrole was vastgesteld dat de trap in de woning onveilig was wegens het ontbreken en loszitten van treden. Op de hoorzitting beloofde de eigenaar de trap te zullen vervangen. Dat gebeurde maar door een trap zonder leuning/balustrades. Dat is tevens een inbreuk op de woningkwaliteitsnormen, van categorie II. Bij hercontrole wordt dit vastgesteld.

Dit voorbeeld illustreert waarom wordt vastgehouden aan hercontrole, teneinde de staat van de woning opnieuw te kunnen beoordelen. Men kan dan immers nagaan of de werken wel oordeelkundig zijn uitgevoerd, de woning effectief veilig is en/of geen gebreken met een ernstige impact op de woningkwaliteit vertoont.

Wat echter als bij hercontrole gebreken worden vastgesteld die niet in het initieel technisch verslag stonden vermeld? Dit bijvoorbeeld omdat een storm of andere hand van god ze naderhand heeft veroorzaakt. Is men binnen de procedure dan gebonden aan de vaststellingen in het initieel technisch verslag? 

Het antwoord daarop is neen. Indien bij hercontrole nieuwe gebreken worden vastgesteld zal de woning nog steeds ongeschikt of onbewoonbaar worden verklaard. De eigenaar dient dus alle gebreken, minstens deze van categorie II en III, te herstellen opdat een ongeschiktheid of onbewoonbaarheid kan worden vermeden. Het beoogde en vanuit de overheid enige aanvaardbare eindresultaat van de procedure is immers een conforme woning.

Die regel geldt zelfs in geval van incompetentie van de woningcontroleur die het initiële technische verslag heeft opgemaakt en gebreken over het hoofd heeft gezien die bij hercontrole worden vastgesteld. Ook dan kan men immers niet om het objectieve feit van de aanwezigheid van de gebreken heen. Uiteraard mag men wel verhopen dat de burgemeester rekening zal houden met deze bijzondere omstandigheden en het feit dat er fouten zijn gemaakt bij de verdere afwegingen, gesprekken met de eigenaar rond herstel, …

In bepaalde gevallen kan de burgemeester beroep doen op de procedure van het snelherstel. Door middel van snelherstel kan de burgemeester opleggen dat er bepaalde dringende werken worden uitgevoerd binnen een termijn van maximaal 15 dagen. Gebeurt dat niet het voorziene tijdsbestek, dan kan de burgemeester beslissen om de werken zelf te laten uitvoeren, in welk geval de kosten verhaald kunnen worden op de eigenaar. 

Het snelherstel biedt de burgemeester een extra mogelijkheid om de meest dringend noodzakelijke werken op korte termijn te laten aanpakken. In bepaalde gevallen zal men hiermee kunnen helpen vermijden dat de bewoner het pand moet verlaten. Net daarom wordt het snelherstel alleen toegepast voor gebreken die weliswaar een gezondheidsrisico inhouden maar die tegelijkertijd op relatief eenvoudige wijze geremedieerd kunnen worden. Voor de andere gebreken kan men dan de gewone procedure verder blijven volgen en gelden de normale hersteltermijnen. Omwille hiervan is de toepassing van snelherstel enkel mogelijk voor gebreken categorie III.

De burgemeester heeft een volledige appreciatiebevoegdheid inzake het al dan niet opleggen van snelherstel: hij/zij is daarvoor niet afhankelijk van het advies van de gewestelijk ambtenaar. Met andere woorden: snelherstel kan ook worden opgelegd wanneer de gewestelijk ambtenaar het niet heeft geadviseerd. Het snelherstel opleggen kan wel enkel in het besluit tot ongeschiktheid of onbewoonbaarheid. Echt ‘snel’ is het meestal niet omdat men dan veelal (mede gezien het recht van verweer) weken of maanden na de oorspronkelijke klacht en de woningcontrole zit.

Logischerwijs moet de burgemeester de genomen beslissing betekenen aan de verzoeker, de eigenaar en de bewoner en moet hij/zij hen kennis geven van de gevolgen van de beslissing en de eventuele begeleidende maatregelen. Dit gebeurt door middel van een modelformulier van besluit tot ongeschikt- of onbewoonbaarverklaring. De burgemeester bezorgt tevens een afschrift van zijn beslissing aan de gewestelijk ambtenaar en aan de wooninspecteur. Zo blijft men ook hier op de hoogte van de afhandeling van het dossier. Want, deze actoren hebben desgevallend de optie om beroep aan te tekenen tegen de genomen beslissing.

Beroep

Tegen het besluit van de burgemeester kan beroep worden aangetekend bij de Vlaamse Regering (concreet in te dienen bij de minister van huisvesting). Belangrijk: ook de gewestelijk ambtenaar kan dat doen. Die zal een afschrift van het besluit ontvangen en op basis daarvan kunnen nagaan of men akkoord is met de genomen beslissing. Inzonderheid zal de gewestelijk ambtenaar van de beroepsmogelijkheid gebruik maken wanneer men het niet eens is met de burgemeester inzake het afzien van een verklaring tot ongeschiktheid en/of onbewoonbaarheid.

Pas wanneer het administratief beroep bij de Vlaamse Regering integraal is behandeld kan men zich desgevallend tot de Raad van State wenden. Het beroep moet worden ingediend door middel van het aangetekend verzenden van een gemotiveerd verzoekschrift naar het adres van het agentschap Wonen-Vlaanderen (Herman Teirlinckgebouw, Havenlaan 88 (bus 40) 1000 Brussel). Wil de verzoeker mondeling gehoord worden, dan moet deze dat melden in het verzoekschrift.

Om ontvankelijk te zijn moet het beroep worden ingediend binnen dertig dagen na de beslissing van de burgemeester. Betreft het evenwel een beroep tegen het stilzitten van de burgemeester, dan mag het beroep worden ingediend binnen twaalf maanden na het verstrijken van diens beslissingstermijn (van drie maanden).

De minister van wonen beschikt over een termijn van 3 maand na ontvangst van het beroep om hierover uitspraak te doen. De termijn wordt verlengd met 1 maand indien er op verzoek van de indiener een hoorzitting plaatsvindt.

Gerelateerde dossiers

Woningkwaliteit

Woningkwaliteit

Structurele partners

BTVBTVBTVBTVBTVBTVBTV

Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte

Deze browser is niet compatibel met CIB Vlaanderen. Gebruik een andere browser om onze website te kunnen gebruiken.