Belangrijke boodschap: Volg hier onze updates over het Coronavirus.

Dossier inzake discriminatie op basis van geboorte en burgerlijke stand voor Uitvoerende Kamer

Rechtspraak Uitspraakdatum: 23 februari 2017
Detail page

De Uitvoerende Kamer van het BIV heeft zich op 24 februari 2017 uitgesproken over een dossier waarin potentieel sprake was van discriminatie op basis van de wettelijk verboden criteria ‘geboorte’ en ‘ burgerlijke stand’.

Het betrokken vastgoedkantoor bemiddelde bij de verhuring van een pand in de periode 27 augustus 2016 tot 23 oktober 2016. Tijdens dit verhuurproces werd de kandidatuur van twee zussen niet weerhouden omdat ‘zowel de verhuurder als het vastgoedkantoor’ in het verleden negatieve ervaringen zouden hebben gehad met de verhuur aan meerdere personen die geen relatie hebben of niet samen een gezin vormen. De vastgoedmakelaar had dat ook in deze bewoordingen medegedeeld aan de kandidaat-huurders die vervolgens klacht indienden bij het BIV en bij Unia (het vroegere Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding).

De vastgoedmakelaar had één van de twee zussen telefonisch op de hoogte gebracht van de weigering vanwege de verhuurder. De andere zus besliste daarop om een mail te versturen naar de vastgoedmakelaar waarin zij zware kanttekeningen maakte bij deze beslissing en concludeerde dat er sprake was van discriminatie op basis van afkomst. Hierop volgde een uitwisseling van mailverkeer, die uitgebreid geciteerd wordt in de tuchtbeslissing en die de basis vormde voor de uiteindelijke beslissing van de Uitvoerende Kamer om de vastgoedmakelaar te veroordelen. 

In een eerste mail aan de vastgoedmakelaar duidde de kandidaat-huurster dat zij niet kon begrijpen dat de kandidatuur zomaar werd geweigerd. Want, diverse elementen zouden net aantonen dat de zussen bij uitstek valabele kandidaten waren. Ze beschikken tezamen over een inkomen van meer dan 4.000€ per maand, wat impliceert dat er naar solvabiliteit toe geen onmiddellijke problemen zouden mogen zijn. De gevraagde huurprijs was immers 750€ per maand voor een appartement met drie slaapkamers (wat overbezetting ook uitsluit). De zussen hebben bovendien geen huisdieren. Tenslotte staat in de mail dat de beide zussen een vaste job hebben (hoewel dat an sich volgens de discriminatiewetgeving geen relevant criterium mag zijn omdat het louter betrekking heeft op de bron en niet de hoogte van het inkomen). 

Nog in de mail wordt aangegeven dat de zussen geen geloof hechten aan de weigeringsgrond die de vastgoedmakelaar schijnbaar in het telefoongesprek heeft aangehaald, met name de weigering omdat het gaat om familieleden en niet om een koppel. Dus gingen zij er van uit dat er gediscrimineerd werd op basis van afkomst.

In het antwoord van de vastgoedmakelaar staat in eerste instantie dat het al dan niet aanvaarden van een kandidatuur een beslissing is van de eigenaar. Maar, het vastgoedkantoor heeft hier wel advies bij verstrekt. En, zowel de eigenaar als het vastgoedkantoor hebben in het verleden negatieve ervaringen gehad met het verhuren aan broers, zussen, … Zo zou de kans in dergelijke situaties groot zijn dat één van beide ingevolge een relatie op korte termijn de huurovereenkomst zou willen beëindigen. De hoofdelijkheid zou hier niet afdoende tegen beschermen omdat in het verleden ook al zou zijn gebleken dat het niet altijd evident is om de hoofdelijkheid juridisch af te dwingen. De vastgoedmakelaar informeerde de kandidaat-huurder dus zeer duidelijk dat de weigering wel degelijk betrekking had op het criterium ‘burgerlijke stand’ en maande de kandidaat-huursters aan om hun klacht inzake discriminatie op basis van afkomst te laten vallen. De verhuurder en het kantoor wilden enkel een koppel of een gezin aanvaarden.

De zussen namen daar geenszins genoegen mee. Zo wezen zij er in een vervolgmail op dat het onredelijk is om alle kandidaten die bloedverwanten zijn over dezelfde kam te scheren. Bovendien kunnen ook twee zussen als ‘gezin’ erkend worden. Het eventueel vinden van een partner door één van de zussen is volgens hen louter speculatief en het is bovendien allesbehalve zeker dat de zussen in dergelijk scenario noodzakelijkerwijs zouden vertrekken. Het appartement is immers in se groot genoegzodat ook een koppel en een alleenstaande er zouden kunnen wonen. Bovendien bestaan dezelfde risico’s bij koppels, wiens situatie evenzeer snel kan wijzigen.

Ook na deze derde mail bleven er berichten uitgewisseld worden tussen het vastgoedkantoor en de zussen, waarbij het vastgoedkantoor zelfs nog probeerde om een aanbod te formuleren zodat de zussen toch zouden kunnen huren, indien ze de klachten lieten vallen.

Uiteindelijk kwam de kwestie echter voor de Uitvoerende Kamer. De aangeklaagde vastgoedmakelaar probeerde zich daarbij in eerste instantie te verdedigen door te stellen dat de oorspronkelijke klacht discriminatie op basis van afkomst betrof. De assessor had echter de zaak voorgeleid onder de noemer discriminatie op basis van burgerlijke stand, wat evenzeer een verboden criterium uitmaakt. 

De Uitvoerende Kamer wees er op dat de assessor steeds bevoegd is om ambtshalve een tuchtvordering in te stellen wanneer in de loop van de behandeling van een dossier blijkt dat de oorspronkelijke klacht weliswaar ongegrond is maar dat er anderzijds een ander feit blijkt te bestaan dat een deontologische inbreuk kan vormen. De tuchtvordering kan dus niet op basis hiervan onontvankelijk verklaard worden.

De Uitvoerende Kamer stelde verder dat het duidelijk is dat de klaagsters in dit dossier minder goed behandeld werden, in vergelijking met hoe een andere kandidaat in een gelijkaardige situatie behandeld zou zijn. Bovendien is dit onderscheid wel degelijk gemaakt op basis van één van de wettelijk verboden discriminatiegronden, met name ‘burgerlijke stand’. In dergelijke situatie moet  volgens de Kamer het principe van de omkering van de bewijslast worden gehanteerd.

Daardoor moesten niet zozeer de klaagsters in de tuchtprocedure bewijzen dat er gediscrimineerd werd maar moest het aangeklaagde vastgoedkantoor het tegendeel aantonen, aangezien er reeds een vermoeden van discriminatie was gevestigd (op basis van het mailverkeer). 

Het vastgoedkantoor slaagde hier echter niet en werd bijgevolg veroordeeld. De uitspraak over de sanctie werd daarbij gedurende drie jaar opgeschort door de Uitvoerende Kamer.

Gerelateerde dossiers

(Anti)discriminatie

(Anti)discriminatie

Structurele partners

BTVBTVBTVBTVBTVBTV

Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte

Deze browser is niet compatibel met CIB Vlaanderen. Gebruik een andere browser om onze website te kunnen gebruiken.